
Doch hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij en al het mijne is het uwe. Wij moesten feestvieren en vrolijk zijn, want uw broeder hier was dood en is levend geworden, hij was verloren en is gevonden.
Lucas 15:31-32
De gelijkenis gaat over twee broers en hun vader. De oudere broer houdt zich aan alle regels en doet geen kwaad. De jongste broer daarentegen gaat tegen alle regels in. Hij feest er op los en verkwist al zijn geld. Hij komt echter tot inkeer, toont oprecht berouw en vraagt zijn vader vergiffenis. Zijn vader vergeeft hem, ontvangt hem met open armen en neemt hem weer met liefde op in z’n huis.
De algemene aanname in deze gelijkenis is dat de oudere broer het Joodse volk symboliseert (het deel dat Jezus niet als Messias heeft geaccepteerd of in die tijd zal accepteren) en de jongere broer de heidenen. De heidenen worden na bekering vergeven en opgenomen in het huis van de Vader.
Dat gold echter voor die tijd. Op dat moment kwam Jezus eerst voor Zijn eigen mensen naar het vlees (het Joodse volk). Nu zo’n 2000 jaar later zijn de rollen omgedraaid. In de huidige tijd in de gelijkenis is de oudere broer, de jongere broer geworden en andersom.
Nu is het het Joodse volk dat is afgedwaald van de Vader en zijn het de heidenen die “aan de regels voldoen”. Als we het verhaal op die manier gaan lezen, dan verandert het perspectief.
In de huidige tijd zijn de christenen symbolisch voor de oudere broer en de jongere broer voor het het Joodse volk (de broer die afgedwaald is). Nu echter weten wij, door lering vanuit het Nieuwe Testament, dat we geen houding van afgunst mogen hebben, maar één van gunst. Omdat we zelf uit genade onderdeel van het gezin van de Vader zijn geworden, dienen we diezelfde genade ook te tonen aan onze jongere broer. Ook al moet hij op dit moment niets van ons hebben en wijst hij ons in veel gevallen zelfs af.
Als we beseffen welke genade aan ons is getoond, hoeveel te meer zouden we dan blijdschap en verlangen moeten tonen om onze broer weer terug thuis te mogen ontvangen? Als we zien dat onze broer zich verliest in allerlei zaken van de wereld, moeten we dan niet voor hem bidden dat hij weer op het rechte pad mag komen? Of dat hij beschermd zal zijn tegen allerlei vijandigheden? Hij blijft per slot van rekening wél onze broer en de andere zoon van onze vader.
En hoeveel te meer als onze vader in al zijn wijsheid tegen ons gezegd heeft dat onze broer terug zal komen. En dat de weg die hij nu gaat een tijdelijke is? Dan zullen we in volle overtuiging voor hem bidden dat hij veilig mag terugkomen.
Betekent dat dan dat we de mensen moeten haten waarmee onze broer in conflict komt in de wereld? Of dat we diezelfde mensen moeten veroordelen? Nee, zeker niet! Ook deze mensen mogen en moeten we liefhebben. Zij zijn net zo goed onze naasten.
Maar onze broer, is onze broer. We zijn familie en delen dezelfde genen en geschiedenis. En we bidden voor hem en hebben het beste met hem voor. En we zullen verheugd zijn als hij eindelijk weer terug thuis komt.
En zijn vijand uit de wereld? We zegenen hem ook. We hebben hem ook lief en onze deur staat ook voor hem open als hij diezelfde berouw toont die wij ook gehad hebben en we in genade vergeving mochten ontvangen. We bidden voor hem, dat ook hij op dat punt mag komen en hebben hem lief. Het huis van onze vader is namelijk groot genoeg voor allebei.