Naastenliefde

Daarop hernam Jezus en zeide: Een zeker mens daalde af van Jeruzalem naar Jericho en viel in de handen van rovers, die hem niet alleen uitschudden, maar ook slagen gaven en weggingen, terwijl zij hem halfdood lieten liggen.

Lukas 10:30

De weg van Jeruzalem naar Jericho was een lange stoffige weg die door een stuk gebergte van de woestijn van Judea heen liep. De zon kan daar fel branden en het is er erg heet. De weg is eenzaam en lang en is zelfs zonder gewond te zijn erg pittig.

Omdat het een lange eenzame weg is, was deze weg ook niet zonder gevaren. Niet alleen de natuurlijke gevaren, maar ook die van de mens. In dit verhaal van Jezus is op die lange weg dan ook nog eens iemand beroofd en in elkaar geslagen en hebben ze hem daar voor dood laten liggen.

Doch een Samaritaan, die op reis was, kwam in zijn nabijheid, en toen hij hem zag, werd hij met ontferming bewogen. En hij ging naar hem toe, verbond zijn wonden, goot er olie en wijn op; en hij zette hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en verzorgde hem. En de volgende dag stelde hij de waard twee schellingen ter hand en zeide: Verzorg hem en mocht gij meer kosten hebben, dan zal ik ze u vergoeden, op mijn terugreis.

Lukas 10:33-35

Zowel een Joodse priester, als een Leviet (een Jood uit de – priesterlijke- stam van Levi) passeren deze man (waarvan we mogen aannemen dat het ook een Jood is) en ondernemen niets. Ze laten deze man, net als de rovers, voor dood achter. Misschien omdat ze niet zeker weten wat zijn afkomst is? Maar dan komt de Samaritaan. Om dit verhaal goed te begrijpen, moet je eerst iets weten over de achtergrond hier van.

De Samaritanen en de andere Joodse stammen leefden niet op goede voet met elkaar. Hun religieuze overtuigingen hadden veel overeenkomsten, maar toch zaten er een aantal cruciale verschillen in. In het evangelie van Mattheüs gebied Jezus Zijn discipelen zelfs dat ze de Samaritanen niet mogen bezoeken in het verspreiden van het Evangelie:

Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden en Hij gebood hun, zeggende: Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen;

Mattheus 10:5

En toch gebruikt Jezus een aantal keer het voorbeeld van een Samaritaan in goed opzicht. Niet alleen maar in de gelijkenis waarmee deze overdenking geopend werd, maar bijvoorbeeld ook de vrouw bij de put:

Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zeide tot haar: Geef Mij te drinken.

Johannes 4:7

Uit dit verhaal wordt ook duidelijk dat de Joden en Samaritanen niet met elkaar omgingen:

De Samaritaanse vrouw dan zeide tot Hem: Hoe kunt Gij, als Jood, van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vragen? [Want Joden gaan niet om met Samaritanen.]

Johannes 4:9

Nadat Jezus een ontmoeting heeft met de Samaritaanse vrouw komen er zelfs vele Samaritanen uit die stad tot geloof:

En uit die stad geloofden vele der Samaritanen in Hem om het woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan heb. Toen dan de Samaritanen tot Hem kwamen, verzochten zij Hem bij hen te blijven; en Hij bleef daar twee dagen. En nog veel meer werden er gelovig om zijn woord.

Johannes 4:39-41

Ook bij de genezing van de tien melaatsen is het alleen een Samaritaan die terugkeert om Jezus te bedanken, waardoor de bijbel hem als enige van de genezen melaatsen noemt die behouden wordt. De bijbel noemt deze persoon vreemdeling:

En hij wierp zich op zijn aangezicht voor zijn voeten om Hem te danken. En dit was een Samaritaan. En Jezus antwoordde en zeide: Zijn niet alle tien rein geworden? Waar zijn de negen anderen? Waren er dan geen anderen om terug te keren en God eer te geven, dan deze vreemdeling? En Hij zeide tot hem: Sta op, ga heen, uw geloof heeft u behouden.

Lucas 17:16-19

Er is dus sprake van een bijzondere relatie tussen de “reguliere” Joden en de Samaritanen (die ook Joods zijn, maar van een andere stam dan de rest), waarbij Jezus zelfs waarschuwt om daar (nog) niet te komen, maar er wel zelf naartoe gaat en er twee dagen verblijft.

Terug naar het verhaal van de barmhartige Samaritaan. In het dagelijks leven gunnen de Joden en de Samaritanen elkaar geen blik waardig. Dan zien drie mannen een gewonde Joodse (niet Samaritaanse) man liggen. Het is alleen de Samaritaan die barmhartigheid toont tegenover de Joodse man.

Vervolgens trekt Jezus een andere vergelijking. Hij heeft het over naasten. De twee Joodse mannen die de gewonde Joodse man passeren zijn in het natuurlijke naasten van elkaar, de Samaritaan niet. Maar Jezus maakt hiermee duidelijk dat niet je natuurlijke afkomst bepaalt wie jouw naaste is, maar je hartgesteldheid.

Voor God is dit een belangrijk onderdeel van hoe Hij wil dat wij als Zijn kinderen omgaan met de mensen om ons heen. Jezus geeft ons om die reden ook maar twee geboden:

Meester, wat is het grote gebod in de wet? Hij zeide tot hem: Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.

Mattheus 22:36-39

Wat hier ook belangrijk aan is, zijn de laatste twee woorden. Om je naaste goed lief te kunnen hebben, moet je ook jezelf liefhebben. Wel op een goede manier uiteraard en niet vanuit arrogantie en trots, maar heb jezelf lief op een gezonde manier en toon dezelfde liefde aan degene die naast je is.

Het originele Griekse woord dat hier gebruikt wordt voor naaste is plēsion. Dat betekent letterlijk “iemand die dichtbij is” of “buurman”. God roept ons dus op om op deze manier met de mensen om te gaan waar we op dat moment geplaatst zijn, de mensen om ons heen dus.

In het verhaal gebruikt de Samaritaan olie en wijn om de wonden te verzorgen van de gewonde man. De gewonde man kunnen we ook zien als de wereld die vol met mensen is, die gebroken zijn. De olie kunnen we zien als de Heilige Geest die in ons is komen wonen nadat we wedergeboren werden. De wijn kunnen we zien als het (bloed)offer dat Jezus bracht voor de redding van de mensheid. Laten wij die dit weten de gebroken wereld helpen herstellen door ze een ontmoeting te laten hebben met de Heilige Geest en ze te vertellen over het offer van Jezus die stierf voor hun gebrokenheid. Laten wij die Samaritaan zijn die met andere ogen naar de mens kijkt. Laten wij die barmhartigheid tonen aan een wereld die gebroken is.

Laten wij, in deze tijd waar polarisatie steeds vaker op de loer ligt door alles wat er gebeurt in de wereld en iedereen daar een mening over heeft, een tijd waarin mensen meer en meer aan zichzelf denken. Laten wij als gelovigen, anders zijn dan deze wereld. Niet alleen in woorden, maar vooral in hoe we omgaan met de personen die we tegenkomen in het dagelijks leven. We zijn hier om de aarde smaak te geven, om licht te schijnen in een duistere wereld, om anders te zijn dan de mensen die niet geloven, omdat wij een ontmoeting met Jezus hebben gehad. Degene die de ultieme barmhartigheid toonde!

Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen.

Efeziers 4:20